Steunpunt voor de Diensten Schuldbemiddeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Info & Tools

Belastingen en vergoedingen voor het parkeren zijn onderworpen aan de wet op de marktpraktijken. De rechter is gehouden het oneerlijk karakter van de contractuele bedingen van het gemeentelijk reglement te toetsen

JP 5ème canton Bruxelles 12-08-2011 stationnement

Het vonnis dat op 12/08/2011 uitgesproken werd, is interessant op verschillende gebieden:

Ten eerste omdat het een origineel standpunt weergeeft over de belastingen/vergoedingen voor het parkeren.

De rechter maakt geen verschil tussen de twee categorieën: of het om een belasting of een heffing gaat, het gemeentereglement waarin deze voorzien werden, werd goedgekeurd door de gemeente in de oefening van haar overheidsvoorrechten.

MAAR door de exploitatie als zodanig van het betalende parkeren, streeft de gemeente een economisch doel na, wat van haar een verkoper maakt in de zin van de wet van 14 juli 1991 (sindsdien vervangen door de wet van 6 april 2010) en van de automobilist een consument in de zin van dezelfde wet.

Rekening houdend met al deze elementen, besluit de rechter dat:
• (1)De relatie tussen de gemeente en de automobilist onbetwistbaar contractueel is, zelfs als de voorwaarden van dit "contract" in een gemeenteregelgeving bepaald zijn.
• (2)Volgens de wetten van 14 juli 1991 en 6 april 2010 is het aan de rechter om het onrechtmatig karakter van deze voorwaarden na te zien.
• (3)Aangezien we in een contractuele relatie zijn, mag de gemeente zichzelf geen uitvoerbare titel afleveren (zoals dit gebeurt voor de gemeentebelastingen).
Dat betekent dat zolang geen vonnis uitgesproken werd, de wet over de minnelijke invordering van 20 december 2002 van toepassing is.

Ten slotte maakt de rechter een grondig onderzoek van de verschillende bepalingen van de gemeenteregelgeving volgens deze dubbele wetgevingen en trekt hij de volgende conclusies:
• Het feit dat de regelgeving de bevoegdheid van de Brusselse rechtbanken in geval van geschil voorziet is niet onrechtmatig is.
• Maar de betaling voor herinneringskosten en voor ingebrekestellingsbrieven door een gerechtsdeurwaarder in geval van niet-betaling heeft veel weg van een strafbeding.
De gemeenteregelgeving voorziet echter geen soortgelijke vergoeding voor de automobilist. Daardoor is deze bepaling onrechtmatig volgens art. 74§17 van de wet over de minnelijke invordering, en dus als niet-geschreven beschouwd;
• Bovendien, volgens artikel 3 van de wet betreffende de minnelijke invordering, mag de gerechtsdeurwaarder deze kosten niet opeisen omdat ze niet wettelijk in het "onderliggende" contract overeengekomen zijn (d.i. hier het gemeentelijke reglement).
• Ten slotte, aangezien de herinnerings- en ingebrekestellingskosten die vereist zijn in feite forfaitaire vergoedingen of strafbedingen zijn, kan de rechter ze ambtshalve overeenkomstig artikel 1231 van het Burgerlijke Wetboek verminderen.

De redenering van de rechter is zeer gedurfd en is, volgens ons, niet zonder kritiek, in het bijzonder wat betreft de contractuele relatie die tussen de gemeente en de automobilist zou bestaan. Terwijl sommige gemeentereglementen werkelijk over heffing en dus, over contractuele relaties spreken, spreken anderen duidelijk over belastingen. In welk geval de juridische analyse verschillend is.

In elk geval, komt een dergelijk vonnis de schuldenaars ten goede

Agenda

  • Event Steunpunt
  • Event partner
  • Opleiding

Nieuwsbrief